Het Tibetaanse Dodenboek

Het Tibetaanse Dodenboek

Auteur:
W.Y. Evans Wentz

  • Nederlands
  • 232 pagina’s

  • AnkhHermes

  • april 1999

  • Samenvatting

    Het Tibetaanse dodenboekErvaringen in het stadium van het stervenMeteen uitgebreide inleiding van Carl Gustav JungHet eeuwenoude Tibetaanse Dodenboek (Bardo Th’dol) is misschien wel het merkwaardigste boek dat het Westen van het Oosten heeft ontvangen. Nadat het eewenlang (van mond tot oor) werd overgeleverd zou deze tekst zijn opgeschreven door Padma Sambhava, de yoga-leraar die het boeddhisme in de achtste eeuw naar Tibet bracht en die als grondlegger van het lamaisme wordt beschouwd. Carl Gustav Jung noemt in zijn inleiding het Tibetaanse Dodenboek van een ongeevenaarde superioriteit wat de psychologie en de kritische filosofie betreft. De tekst wijdt in, in de zin van het leven dat de doodservaring omvat, niet als gebeuren op een bepaald tijdstip, maar als een voortdurend bereid-zijn, dat werkelijk leven pas mogelijk maakt. Op archetypische wijze wordt de toestand beschreven die de dood genoemd wordt, tot aan het moment waarop naar oosterse opvatting de nieuwe geboorte plaatsvindt. Daaruit komt naar voren dat de betekenis van het sterven onverbrekelijk met de zijn van het leven verbonden is. Voortdurend wordt de lezer gewezen op de noodzaak het rechtstreekse contact met het onnoembare-in-zichzelf te zoeken. De grondtoon van het onderricht is het met onuitputtelijk geduld oproepen tot wat Jung noemt: ‘de zorgvuldige en gewetensvolle waarneming van irrationele facetten van het heilige en de mens zelf.’ Wanneer dit bij hem aanslaat zal hij niemand meer vragen wat hij moet kiezen, maar met vallen en met opstaan zijn eigen gezag zoeken – en vinden. Want in hemzelf is de bron van leven, en wat hij in wezen is: een ononderbroken opeenvolging van bewustzijnstoestanden, waarin geboorte (als het aannemen van een lichaam) en dood (als het afleggen van een lichaam) zijn besloten. Dit herkenbaar maken is de zin van het onderricht van het Tibetaanse Dodenboek.